dinsdag 12 november 2013

Leonard Nolens, Een lastig portret


De dichter die te denken geeft

Na Stukken van mensen (1989), Blijvend vertrek (1993) en De vrek van Missenburg (1995) volhardt dichter Leonard Nolens met zijn vierde dagboekdeel in de boosheid van de ernst en het elitarisme. We kunnen er hem alleen maar dankbaar voor zijn.

De titel, Een lastig portret, roept natuurlijk de moeizaamheid van het schrijven op. Maar Nolens bedoelde ongetwijfeld ook dat de ernst waarmee hij tot denken aanzet, ‘lastig’ is, tegenwoordig, in deze bedenkelijke wereld. De ernstige dagboekschrijver als horzel.

Nolens’ dagboekdelen grijpen mij telkens opnieuw naar de keel. Ze beklemmen mijn hart. Ze vormen een appèl. De gave, uiterst verzorgde formuleringen; het uitgebalanceerde ritme van herhalingen en nieuwe accenten dat de kracht bezit van een door honderd monniken in een halfduistere kerk gezongen litanie; de zeldzame scherpzinnigheid van de observaties en de bittere, moedige scherpte van Nolens’ zelfanalyse – dat alles geeft te denken. En ik bedoel dat ‘geven’ letterlijk: Nolens deelt zichzelf mee, geeft zichzelf uit, zijn boeken zijn een gift.

Is dat echter niet bedenkelijk? Waarom moet die rare dichter per se zichzelf en zijn vaak erg intieme gedachten exhibitionistisch prijsgeven? Zo benader je Nolens als je het denken dat hij aanreikt niet onder ogen durft te zien. Als je in Nolens’ gift het gif niet durft te herkennen dat je eigen zelfgenoegzaamheid aantast. Als je erop aanstuurt die bittere kelk aan je te laten voorbijgaan.

Dat lijken hoge woorden, maar ze moeten er wel uit. Nolens’ inzet is groot, hij speelt met zijn openhartigheid en zijn gok op authenticiteit en integriteit gevaarlijk spel. Dat lokt weerstand uit. Maar ik vind niet dat Nolens zichzelf te grabbel gooit. Het verwijt van exhibitionisme is een zwaktebod. In tegenstelling tot andere navelstaarders vermag Nolens wél het strikt particuliere te overstijgen. Hij stuurt niet op volledige zichtbaarheid aan, maar integendeel op de onzichtbaarheid van zijn op zich – dat beseft hij maar al te goed – futiele persoonlijkheid. In Nolens schrijven is hij goed, niet in Nolens zijn. Met taal pakt hij uit, niet met zichzelf. ‘In de woorden die mij blootgeven verberg ik mij.’ Exhibitionistisch? Welneen, want wat Nolens toont is met iets wat alleen hem toebehoort en dus oninteressant is. Het huist in elk, of toch velen van ons: onmacht, onzekerheid, onvermogen. Welbeschouwd heeft Nolens het meer over dé kunstenaar en dé mens dan over die ene kunstenaar en mens die hij zelf is. De clichématige man met de regenjas in het park heeft alleen zijn schamele zelf te tonen.

Met de exhibitionist heeft Nolens echter wel gemeen dat hij confronteert. Niet met een particuliere futiliteit maar met het zoeken naar zin; met de neiging dat zoeken te ontvluchten in lethargie en vormen van verslaving; met de onmogelijkheid om alleen te zijn; met de drang naar erkenning (‘word je niet langzaam de slaaf van die erkenning?’); met ons verdwaald zijn in een wereld waarin voor dat soort elementaire gevoelens en voor dergelijke vormen van openlijk beleden zwakheid geen plaats meer is. Die confrontatie is niet altijd even prettig – en wellicht gaan velen ze daarom uit de weg.

Die gebruiken dan argumenten als: Nolens is een kniezer, een zelfingenomen knorpot een narcist die aan zelfbeklag doet, een doodernstige kluizenaar die schrijft: ‘Mijn ziel is kreupel geslagen door haar eigen dagelijkse ambitie iets nieuws op de wereld te zetten. (...) Ik weet niet meer hoe ik mij moet gedragen.’

Ik ben er van overtuigd datje in een literair klimaat dat wordt overstemd door cynisch grappende lieden (…) best eens kunt luisteren naar wat een doodernstige kluizenaar die er wél zijn tijd voor neemt te zeggen heeft.

Zelfbeklag? Maar natuurlijk! En dan? Nolens wéét dat hij zich er aan bezondigt. Maar hij maakt van dat zelfbeklag, en van zijn manier om er mee om te gaan, kunst. En daardoor stijgt hij er boven uit. Je kunt over zelfbeklag schrijven, even goed als je over een doodgemepte vlieg (of horzel) kunt dichten. Welbeschouwd doet het er niet echt toe welke thema’s je uitspit als je naar de diepste kern van jezelf graaft. De vorm staat boven de inhoud.

Veel spektakel heeft Nolens niet te bieden. Hij is geen politiek agitator, geen wereldreiziger, geen roeper die op een omgekeerde bierbak menigten toeschreeuwt... Hij doet wat hij, kluizenaar zijnde, moet doen: in de marge vraagtekens zetten bij wat gaande is. In zichzelf en – vooral impliciet – in de wereld. In die bevraging zit veel meer maatschappelijk engagement dan je op het eerste gezicht geneigd zou zijn toe te geven. Overigens kan in een totalitaire maatschappij dergelijke bevraging alleen nog vanuit de marge gebeuren...

Dus verschilt dit vierde dagboekdeel niet van de vorige? Natuurlijk wel en natuurlijk niet. Natuurlijk wel omdat er – uiteraard – nieuwe onderwerpen in aan bod komen. Zo begint Nolens 1994 met een vijftien pagina’s tellende herinnering aan de dood van zijn moeder: een emotioneel, beeldrijk verwoord portret dat eerbied uitdrukt en spijt omdat het nooit echt goed heeft willen boteren tussen die twee. Zo bevat dit boek een relaas van een pijnlijk verblijf in een Spaans dorp, waar de norse dichter zich op zijn kamer zit te ergeren aan het lawaai op straat terwijl zijn reisgezellen grootse wandelingen maken door het natuurschoon in de omgeving. Zo is er de medische bekommernis om het sputteren van het eigen hart, dat blijkbaar gedeukt is van het ‘hart tegen hart’ stoten.

Maar tegelijk verschilt dit dagboekdeel natuurlijk niet van de vorige. De grondtoon van Nolens’ lied blijft dezelfde als in de hele cyclus. De essentie blijft dezelfde, de accidenten wisselen. Dit keer gaat de lijn van het dagboek, zoals in De vrek van Missenburg, niet van somberheid naar onverhoopt geluk, maar van onverhoopt geluk naar somberheid. So what? De volgende keer zal het misschien weer omgekeerd zijn. De grondtoon telt, niet de wisselende omstandigheden. Belangrijk zijn de fundamentele vragen. Wat is de taak van de kunstenaar? Hoe kun je in alle ernst een wereld toespreken waarin alleen nog wordt geluisterd naar wie de lachers op zijn hand krijgt, naar wie op oninteressante wijze zijn schamelheid etaleert? Hoe positioneer je jezelf tussen het schrijven en het leven in: ‘Je hebt voor de zoveelste keer geen andere werkelijkheid dan het schrijvende verlangen ernaar.’ Hoe kan je verantwoorden dat je, nota bene in grote mate op kosten van de gemeenschap, volstrekt nutteloos zit te wezen? Hoe kan je gelukkig – en zelfs ongelukkig – zijn in een wereld die, ‘als je de kranten mag geloven, in al haar miserie verzuipt’? En van verzuipen gesproken: hoe komt het dat je blijkbaar een roes nodig hebt om creatief te kunnen zijn – ook al haat je die roes en datgene wat daarvoor nodig is, en ook al vind je dat woord ‘creatief’ weerzinwekkend? ‘O, kunnen dromen en schrijven zonder de ellendige noodzaak van de kunstmatige, door alcohol en nicotine verwekte en gevoede roes!’ En wat met de liefde, die eeuwig onvolmaakt is en tegelijk eeuwig onmisbaar? Om dat soort vragen gaat het, en uiteraard kan Nolens ze niet beantwoorden. Daar is hij te zeer dichter voor. Maar hij weet ze wel op zijn bijzonder mooie manier te stellen.

Het is nodig dat iemand die vragen op een mooie, stijlvolle wijze stelt en blijft stellen en zich daarbij een mateloze pretentie aanmeet. Stijlvolheid? Nolens geeft zelf een definitie: ‘De chaos en het onoverzichtelijke reduceren tot een transparante korte tekst, die niettemin die chaos en dat onoverzichtelijke recht doet.’ Hij slaagt er in zijn dagboek een aaneenrijging van dergelijke geslaagde reducties te laten zijn.

‘Wat je zoekt zijn de laatste mogelijkheden van een bepaalde, in de ogen van velen waarschijnlijk anachronistische levensernst: je tracht nog steeds die dingen te achterhalen waarmee niet te spotten valt.’ Het is nodig dat iemand te denken geeft. Wij kunnen Nolens’ geschenk alleen maar dankbaar aanvaarden. En inderdaad dénken.

Het is zeker geen toeval dat Nolens in het begin van dit dagboekdeel instemt met het lemma ‘dagboek’ in de Encyclopedie der wereldliteratuur, waar het stelt dat ‘het dagboek een boeiend grensgeval [kan] zijn in het domein der literatuur’. Dat woord ‘grensgeval’ heeft onmiskenbaar een politieke dimensie. Het volgehouden zelfonderzoek is inderdaad een ‘ultieme test voor wie een onderzoek doet naar het democratische levensgevoel’. Het is, in de dictatuur van het populaire en het populisme – waaraan te veel intellectuelen in talkshows en praatjesprogramma’s duchtig en gedachteloos meewerken – onvermijdelijk geworden om elitair te zijn, als je nog een laatste bastion voor het kritische, vrije denken wilt vrijwaren. Dat elitarisme, met zijn ‘literaire maniertjes’ en ‘luxeproblemen’, is, tegenover het dictatoriale anti-intellectualisme dat het artistieke klimaat verstikt, een uitermate maatschappelijke houding. Zelfs in de grootste afzondering staat de schrijver, althans voor zover hij erin slaagt zich hoorbaar te maken (en misschien moet die voorwaarde niet eens vervuld zijn), midden in de samenleving. Zo verantwoordt Nolens zichzelf. De goede lezer heeft die verantwoording niet nodig.


Een lastig portret maakt nu deel uit van Dagboek van een dichter

Deze recensie verscheen in De Morgen van 29 oktober 1998