maandag 6 januari 2014

Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 5

Dit is de vijfde aflevering van een essay dat in Poëziekrant verscheen, het vervolg van deel 4.


Inspiratie

‘(W)ellicht is voor een dichter geduld de grootste deugd.’ (5 december 1982) Wachten is belangrijker dan zoeken. Soms duurt het wachten (en de daarmee gepaard gaande onvrijheid en vrees dat de muze niet zal terugkeren) erg lang – Nolens overbrugt in zijn dagboek meerdere poëtisch-onvruchtbare periodes. 

Naarmate hij een oudere dichter wordt, komt daar ook de vrees bij dat hij het ooit behaalde niveau niet meer zal kunnen evenaren: ‘Dat is een verlammende gedachte.’ (14 december 1997) Hij is het eens met wat Maurice Gilliams ‘ooit’ ergens zei over het gedicht: het is ‘een natuurlijke functie die je niet kunt forceren’ (19 maar 1981). (Maar er zijn ook onvruchtbare dagboekperiodes, wat zich vertaalt in opmerkelijk lange hiaten. Niet onbelangrijk: beide vormen van steriliteit vallen zelden samen want in periodes dat het dagboek stilligt komt meer dan eens een volledige cyclus of bundel tot stand.)

31 mei 1988: ‘De enige manier om de komst van het gedicht te forceren is wachten, zwijgen, verveling.’ Meer dan tien jaar later, op 2 juni 1999, herformuleert Nolens  deze gedachte nog maar eens, met de hem zeer typerende zin voorkeur voor de paradox: ‘Poëzie is bij uitstek de discipline bezitten om niets te doen en het recht op luiheid te cultiveren.’ Het geduld moet worden geoefend in afzondering en stilte, ver van de paljasserij van de media – die laatste vormen ook voor Nolens een bekoring waaraan hij niet altijd kan weerstaan. Wanneer na vele jaren van relatieve onbekendheid en weinig respons dan toch ‘(h)et luie, trage, stille wrakhout (…) in een stroomversnelling geraakt’ en het succes komt, waarschuwt hij al heel vlug zichzelf voor een verlies van ‘de alertheid van de marginale mens die ik was’ (29 september 1989).

Lectuur

Uiteraard is alleen maar wachten ontoereikend. Nolens staat als dichter heel bewust in een traditie. Hij is ook vertaler, en een uitermate belezen intellectueel. Af en toe positioneert hij zich tussen zijn collega’s. In een felle uithaal naar Enzensbergers didactisch-politieke schriftuur formuleert hij waar hij zelf voor staat: ‘de noodzaak van die bepaalde versificering; het raffinement van de onmisbare prosodie; de vonk van metaforen en de glissando’s van een niet discursieve syntaxis’ (6 februari 1980) En passim in het dagboek vallen er natuurlijk namen van dichters die Nolens wél hoog schat: Celan, Hölderlin, Valéry, Paz, Mandelstam, Majakovski, Achmatova, Novalis, Vallejo, Milosz, Rimbaud, Pessoa, Pernath, Achterberg, Leopold… En minder of niet hoog, om verschillende redenen: Brodski, Lorca, Snoek en natuurlijk ook Hugo Claus… (Nolens wijdde een kritische cyclus aan hem, waarop Claus overigens zeer sportief reageerde.)

Als dichter is Nolens per definitie een vernieuwer (hij maakt nieuwe dingen), maar hij weet dat hij tussen ‘anarchie en classiciteit’ (19 april 1983) staat: ‘Al mijn gedichten zijn vrije vertalingen van het beste dat ik tot nog toe heb gelezen.’ (25 mei 1983) De dichter moet, volgens Nolens, ‘over het talent beschikken zich de traditie toe te eigenen zonder zichzelf te verliezen’. Dat is ‘het moeilijkste: een persoonlijke stempel drukken op de overgeleverde vormen; de voorbije eeuwen laten meezingen in je stem – een bizarre mengeling van grondige kennis en intuïtie, van wilskracht en temperament, van volwassen eruditie en berekende naïviteit’. (15 april 1983)