zondag 22 november 2015

Joost de Vries over ironie


De titel van het essay ‘Waar we het over hebben als we het over ironie hebben’, in de bundel Vechtmemoires, weerspiegelt de verdubbeling waarop de ironicus teert, het schild waarachter hij zich kan wegstoppen en wegvluchten voor, ja waarvoor eigenlijk?, voor zichzelf, voor zijn verantwoordelijkheid, voor wie en wat hij eigenlijk is en niet onder ogen wil zien. Het is een grond- en heilloos spiegelpaleis; ironie toont enkel zichzelf, raakt op zichzelf uitgekeken en kan daardoor alleen maar in onverschilligheid en verveling uitmonden.

Joost de Vries vraagt zich af of we ironie ‘de ziekte van deze tijd’ kunnen noemen. De vraag stellen is hem beantwoorden. Maar nuance is nodig. De ironie is van karakter veranderd. Vroeger – en De Vries plakt daar ‘laten we zeggen, de postmoderne jaren negentig’ op – drukte ironie een houding van het denkende zelf uit ten aanzien van de wereld. Het ging om een algehele relativering; ironie volgde uit de (postmoderne) ‘overtuiging’ – let op de aanhalingstekens!, de mijne! – dat er geen sluitende waarheid mogelijk is. Vandaag is ironie ‘eerder een kwestie van relativering ten opzichte van jezelf’. Er ontstaat een dubbelheid in de persoon zelf, ironie wordt een soort van ontdubbeling, nog vóór de confrontatie met de werkelijkheid. Je kunt van jezelf een poppetje maken dat je dan zelf aan het dansen brengt. Het zelf wordt gesplitst in een deel dat een rol speelt en een ander deel dat hierop toeziet. Zo postte de schrijver Daan Heerma van Voss toen hij hoorde dat hij genomineerd was voor een belangrijke literaire prijs op Facebook: ‘Kijk, iemand met een naam die op mijn naam lijkt is genomineerd voor de Anton Wachterprijs.’ Je praat niet meer over ironie, maar je praat over het feit dat je praat over ironie. (De titel echoot uiteraard de titel van een van Raymond Carvers verhaalbundels, recent overgenomen door de Belgische rockgroep dEUS: What We Talk About When We Talk About Love.)  

De werkelijkheid, die tot voor deze verandering door de ironicus werd weggerelativeerd, blijft door deze schizofrene houding al evengoed buiten beeld. Je zou kunnen stellen dat zij in de ironie wordt gevirtualiseerd. Daardoor wordt zij manipuleerbaar, kneedbaar. De nieuwe ironicus doet alsof en creëert daardoor een nieuwe werkelijkheid. Er is geen feest, er is ook geen aanleiding tot feesten – maar de ironicus zet een rode pingpongbal op zijn neus en kijk, het ís feest. Sociale media, zeer geschikt om om te gaan met virtualiteit, doen de rest, en dan krijg je ontsporingen zoals in het Groningse dorp Haren waar op 21 september 2012 een paar duizend jonge gasten de boel op stelten kwamen zetten. Waar is da feesje? Hier is da feesje! De rest is onoprechte leute en vooral veel gratuite baldadigheid.

De nieuw-ironische, persoonsontdubbelende houding vergt een verscherpt zelfbewustzijn. Er zit vast en zeker iets narcistisch of op zijn minst egocentrisch in het nieuw-ironische afwijzen en daardoor manipuleren van de werkelijkheid. Wie een verscherpt zelfbewustzijn heeft, is ook vatbaarder voor ‘afwijzingen en mislukkingen’. Ironie wordt dan ook vooral ingezet als een ‘afstompend valkussen’. Wie niets au sérieux neemt, vermijdt het risico op beschadiging en de mogelijkheid van zinverlies: ‘een ironisch leven is een leven dat niet aangevallen kan worden, omdat het zichzelf al overwonnen heeft’. De ironicus ontloopt alle verantwoordelijkheid, en meteen ook de mogelijkheid daarop aangesproken te worden.

Maar mag dat dan niet, ironie als afweermiddel? Ironie kan toch ook gewoon grappig en onschuldig zijn? Zo onschuldig is het niet, stelt Joost de Vries. Wat we zeggen over dingen bepaalt hoe die dingen zijn. Ironie heeft een impact op de werkelijkheid. Ironie smoort de gevoelens en ervaringen. ‘Ze duwt ze weg, ze maakt ze kleiner.’ Ironie is vooral een negatieve houding. Als je je eraan overgeeft, doe je ‘alsof waarmee je bezig bent nooit hetgene is wat er voor jou toe doet’. Je bent ontdubbeld in jezelf en dus maar half aanwezig in wat jou omringt. Je plaatst een schild tussen jezelf en de werkelijkheid. Iets als – bijvoorbeeld – liefde wordt een heikele onderneming.

Dat schild kan uit een taal bestaan die expres meerduidig en dubbelzinnig is. De ironicus houdt altijd meerdere interpretaties open want zo is er altijd minstens een waarachter hij zich kan verschuilen. Het meest efficiënte schild wordt tegenwoordig aangeleverd door de zogenaamde sociale media.

Er schuilt een grote eenzaamheid in de ironicus want zijn tragische vergissing bestaat erin dat hij denkt dat de werkelijkheid waar hij zich van afkeert niet de enige werkelijkheid zou zijn. Dat er altijd nog wel een andere is. Het leven dat hij leidt is slechts een voorlopige oplossing voor een probleem dat hij niet wil onder ogen zien. Er is altijd een betere gesprekspartner op de receptie. Een leuker feestje in de stad. Maar dat is niet zo. Er is slechts die ene werkelijkheid, er is slechts dat ene leven. Dáár moet je het mee doen. Iets anders heb je niet. Maar de ironicus volhardt. Liever het niets dan het risico iets te verliezen door zich – voluit, het kan niet anders – te engageren. Ironie is nihilistisch.

En wat zou dat iets anders zijn dan de bevestiging door de buitenwereld van wat je zelf hoopte te zijn. De ironicus wil zijn zelfbeeld, dat vaak op een overschatting berust, niet blootstellen aan de toets van de buitenwereld. De ironicus is ijdel. Ironie heeft altijd iets narcistisch.

Een oproep tot authenticiteit kan in zo’n klimaat niet uitblijven. Er moet opnieuw een taal kunnen worden gebruikt waarin niet elk ‘groot begrip’ tussen aanhalingstekens wordt geplaatst. Joost de Vries herkent in de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace een heraut van de authenticiteit. Er is niets mis met het ‘over zelfkennis, over een ander liefhebben, over persoonlijke zingeving’ te willen hebben en daar ook voor te gáán. Jammer natuurlijk dat Wallace, die kampte met depressies, in 2008 zelfmoord pleegde. Dat diskrediteert zijn herautschap.

Joost de Vries gebruikt een personage uit de roman Leaving the Atocha Station van Ben Lerner als voorbeeld van de ironicus die tot inkeer komt. Adal Gordon komt pas tot een beter inzicht wanneer de werkelijkheid zich op een niet langer te miskennen manier aan hem opdringt met de aanslag op het Atocha-metrostation in Madrid, op 11 maart 2004. Lerners held wordt op die manier eindelijk volwassen. Ironie is infantiel. (Wij krijgen dezer dagen gelegenheid te over om deze ervaring van Adal Gordon na te leven.)

Zo bekeken is ook De republiek, de tweede – en bekroonde – roman van Joost de Vries, een bildungsverhaal. (Ik kom er nog op terug.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen