dinsdag 17 oktober 2017

facebookbericht 1039


Ik heb geen kennis genomen van wat hij zegt, dus daarover heb ik het niet. Maar ik vernam dat die El Hammouchi 18 jaar is. Op die leeftijd kun je geen filosoof zijn - en zo moet je je dan ook niet laten voorstellen. Dat alleen al is niet bijzonder wijs.

de herfst van 2017 – 11


dinsdag 10 oktober 2017

12 – Wat ik van dat hele gedonder in Catalonië zal onthouden, is dat eenvoudige zinnetje van een Catalaanse vrouw, een niet-nationalistische en dus niet-separatistische (maar het had er evengoed wél een kunnen zijn) vrouw: ‘Sinds dat geruzie is begonnen, zijn er mensen die ik in de supermarkt niet meer kan begroeten, zoals zij dat ook niet meer met mij doen.’ Kijk, dat is dan het resultaat van een strijd die je, in het licht van veel urgentere problemen, bezwaarlijk essentieel of noodzakelijk kunt noemen, en van al het gestook van politici die er alleen maar garen bij denken te kunnen spinnen erbij: polarisatie, een grondige verstoring van het maatschappelijk weefsel – en het valt nu al te voorspellen dat veel Catalanen, pro én contra afscheiding, heel spoedig zullen terugverlangen naar de tijd dat alles veel eenvoudiger was en eigenlijk best wel goed functioneerde. ‘Wat in godsnaam hebben we ons laten aanpraten?’ Ik kan alleen maar hopen dat de modale Vlaamsnationalist – niet de stokers aan de top die het doen om de macht en het geld, maar de kleine garnaal die gehecht is aan zijn grond of die ergens in zijn familie nog redenen vindt, en soms heel terecht, om fier te zijn op zijn volksidentiteit – hier ook lering uit trekt.
 
13 – (...)

4850

Saumur (F) - 170807

maandag 16 oktober 2017

facebookbericht 1038



drie haiku’s voor een / facebookvriend die zich aan hai- / ku’s te buiten gaat

Pilletje helpt wel.
Ja, tegen haikoeïtis.
Beterschap gewenst!

Herman van Rompuy
draait zich om in zijn bedstee.
Dat wil wel wat, zeg.

Walter, mag ik nog
een lettergreepje kopen?
Anders klopt het niet.

de herfst van 2017 – 10


zondag 8 oktober 2017


10 - In Het leven van Henry Brulard blijf ik op bladzijde 108 haperen aan volgende zin: ‘Op een keer toen we over mijn moeder zaten te praten liet mijn tante zich de opmerking ontvallen dat zij, mijn moeder, nooit iets om mijn vader had gegeven. Deze opmerking was van vérstrekkende betekenis voor me.’ Waarna een zin volgt waardoor ik me niet aangesproken voel: ‘Ik was diep in mijn hart nog altijd jaloers op mijn vader.’ (Ik moet de psychoanalytisch geschoolden die achter of onder deze expliciet ontkennende toevoeging ‘niet aangesproken’, met dan nog dat extra benadrukkende cursief, een schoolvoorbeeld van Verneinung herkennen op het hart drukken dat ik mij van deze mogelijke uitleg bewust ben, waardoor het dus géén Verneinung kan zijn, ik bedoel: ik ben nooit op mijn vader jaloers geweest omdat hij de liefde van mijn moeder voor mijn neus zou hebben weggekaapt – de bittere waarheid is allicht dat hij die liefde niet genoot.) Ik lees dus die zin en bedenk dat ik daar heel wat bij zou kunnen schrijven, ettelijke zinnen, hele hoofdstukken, een volledig boek allicht – maar meteen ben ik mij bewust van de onmogelijkheid daarvan. Ik bedoel: ik zou de gedachten die bij die zin in mij opkomen wel kunnen opschrijven, maar ze wereldkundig maken, neen, dat kan niet. En dat besef dringt volledig tot mij door wanneer ik tijdens het bezoek dat mijn broer mij deze namiddag bracht – we hadden elkaar zowat een jaar niet gezien – hoor hoeveel positiever hij zich over onze moeder uitlaat dan ik geneigd ben te doen. In welke mate zou ik hém pijn doen of kwetsen door eerlijk op te schrijven – en wereldkundig te maken – wat die ene zin van Stendhal allemaal in mij oproept? Ik stuit hier op een ethische grens – of is het onvolwassen van mij om zoveel consideratie te hebben met de gevoeligheden van anderen? (Hetzelfde probleem stelt zich in verband met mijn zus, die mij uitdrukkelijk verboden heeft over haar te schrijven – een verbod dat ik, op de keper beschouwd, op dit moment niet respecteer. Maar waarom zou ik niet over haar schrijven? Ik mag toch over mezelf schrijven, en maakt zij niet, als zus en bloedverwant en lotgenoot, onlosmakelijk deel uit van mijn identiteit? Hoe kan ik het vermijden over haar te schrijven? En met welk recht, met welke rechtsgrond, legt zij mij een dergelijk verbod op? En welke trauma’s en onzekerheden zitten daar allemaal niet achter?)  

11 - (...)