maandag 7 september 2009

dag 730 – 090816 zondag

Iets later op: de zon schijnt al op onze tent.

baraque lecture 25
Perecs opstellen in L’Infra-ordinaire over Parijs en Londen: ironische benadering van het fenomeen broodschrijverij. Handig hoe hij vorm geeft aan de manier waarop het toeval zich manifesteert aan de flaneur die zich eraan overgeeft.

‘R was gisteren in Sylvanès een beetje gejaagd,’ zegt S, die een verklaring zoekt voor het feit dat ze er haar pullover heeft laten liggen. ‘Zoals oude mensen kunnen gejaagd zijn.’ Inderdaad, oude mensen hebben niet meer, zoals wij, de behoefte om eens veertien dagen zeer traag te zijn. Zij hebben niet veel tijd meer. En er is nog zoveel te doen.

Dat ik van niet één lied de tekst of de muziek ken; dat ik na al die Romaanse kerken en kloosters van Romaanse bouwkunst of van de cisterciënzers niets weet te vertellen (en daar zal de aanschaf van een boek daarover in de shop van Sylvanès niet veel aan veranderen); dat ik mij van films die ik nochtans heb gezien niets weet te herinneren; dat ik over de recente geschiedenis van de ontdekking en ontginning van de Cevennes, waarover ik nochtans nog maar net heb gelezen bij Graham Robb, nauwelijks iets onthouden heb: dat algehele onvermogen zadelt mij op met een verpletterend gevoel van middelmatigheid.

Tijdens het ontbijt en, aansluitend, de lectuur, passeren E ([…]), J (‘’t Was gisterenavond maar een flutse’) en F, die zich afvraagt hoe ze in het petanquen beter zou kunnen tireren.

Met de auto naar Ceilhes, naar een marktje met bio- en streekproducten. De bakker die ons een fantastisch brood van liefst 13,5 euro verkoopt (we zullen er vier dagen van eten), levert ongerust commentaar op de grote hoeveelheid wespen die zijn marchandise belaagt. ‘Over twintig jaar leven we hier tussen de cactussen.’ Ik raad de man aan toch maar vooral lekker brood te blijven bakken.


Tegenover de kerk staat een kleine hoekhuis met een drietal verdiepingen te koop. Ik sla aan het dromen over ons geheime schrijf-buitenverblijf. Over de Col de Notre Dame terug naar Saint-Félix en de camping. In de auto weerklinkt de finale van Beethovens negende. Tijdens de klim na Fondamente zien we vlak voor de auto een groene specht opvliegen: rode kop, gele stuit, limoengroen lijf.

Terwijl ik het kaartje voor de namiddagrit overteken, maakt S het eten klaar: wortel/paprika + melsa (een lokale broodworst). […]

S vertrekt. Ik maak een fotoportret van S. En ik praat ook met hem. S werkte bij de groendienst van Marseille en verzorgde privétuinen. We hebben het, door de Hasselblad, over ‘moderne’ en ‘traditionele’ technologie.


De rit is lang (82 km), lastig maar bijzonder mooi. Van Fondamente gaat het naar Tournemire en van daaruit, na een gelijkmatige beklimming van een vijftal km tegen de corniche, over de Causse du Larzac naar Cornus. Daar wacht S me op. We drinken iets op het terras van het café op de hoek. […] De mooie moeder aan het tafeltje naast het onze buigt zich liefdevol over haar man, die zich net verslikt heeft (curatieve schouderklopjes) en over haar kinderen. Tot haar adolescente zoon naast haar zegt ze: ‘Wel ja, je bent mooi. Je bent mijn zoon, dus ben je mooi.’ We vertrekken voor het laatste stuk. Ik denk aan L's reeks ‘Never will see you again’.
We krijgen nog een zware klim en dat stukje Far West voor de wielen. Ik hoor en zie arenden. De zon gaat onder. Een schaapherder laat zijn kudde uit: pas nu is het niet meer te heet om de schapen buiten te laten. Het is nog net klaar genoeg om veilig op de camping aan te komen. We verfrissen ons en eten en praten. Het gas van de gaslamp is op. S heeft het over de dienstmeiden, haar vakantieverblijven bij de boeren. Hoe de arbeiders naar Lieve floten en hoe Lieve aan S zei dat ze naar die arbeiders moest roepen: ‘’t Goâ regenen: de stroentveugel schuufelt’. F en J passeren nog. Ze hebben uit Sylvanès, waar ze vandaag naar het Deutsches Requiem van Brahms zijn gaan luisteren, S’s pull meegebracht.