dinsdag 19 december 2017

de laatste boom 13


lees hier vanaf het begin: de laatste boom 1

Ludo De Witte zoekt bij Naomi Klein aanzetten tot een definiëring van wat ‘ecosocialisme’ zou kunnen zijn. Klein is daar vaag over, vindt hij, maar uit wat zij zegt valt toch af te leiden dat het ecosocialisme eerst en vooral antikapitalistisch moet zijn. Inzetten op hernieuwbare energie, zoals Scandinavische landen en Duitsland voorbeeldig doen, is niet radicaal genoeg: deze landen hebben de kapitalistische groei- en dus destructielogica nog helemaal niet verlaten.

Je zou verwachten dat linkse denkers het ecologisch probleem zouden oppikken. ‘Wat verklaart die blinde vlek?’, vraagt De Witte zich af.

Hoewel Marx en Engels nog in een andere wereld leefden, onderkenden zij wel degelijk het ecologieprobleem. Er was halfweg de negentiende eeuw al industrialisering, maar zeker nog geen globalisering – talloze (dorps)gemeenschappen leefden nog min of meer autarkisch, in evenwicht met de natuur. De steden waren wel al begonnen het platteland leeg te zuigen, met enorme ecologische schade tot gevolg – en hetzelfde gebeurde tussen westerse en gekoloniseerde landen, een fenomeen dat we ‘ecologisch imperialisme’ noemen en dat zich tot vandaag voordoet. Agrobedrijven nemen grote stukken grond van die – meestal straatarme – landen over. En dat doen ze uiteraard niet om de plaatselijke bevolking te voeden. Neen, het gaat om ‘gelegaliseerde landroof’, het zich gewoon toe-eigenen (à la façon de Léopold II), ‘neokoloniale vraatzucht’, ‘wereldwijde diefstal van water, bodemschatten en biomassa’, eventueel kosmetisch verpakt als – kan het cynischer – ontwikkelingshulp. Productieprocessen en ontginningen die in het Westen reeds als te vervuilend gebrandmerkt staan, worden naar de landen in het Zuiden geëxporteerd waar nog geen of in elk geval minder strenge milieureglementering van kracht is: uranium, kobaltwinning, scheepsafbraak…

Marx beschouwde het kapitalisme vooral als een historische episode in de ‘stofwisseling’ tussen mens en natuur, als een fase in de totstandkoming van een onvervreemde arbeid, binnen een economie die niet langer zou bestaan uit een kapitalistische productie en accumulatie van goederen waarvan de gebruiks- en de ruilwaarde binnen een antagonistische relatie tussen mens en natuur te ver uit elkaar zijn komen te liggen. Dit antagonisme tussen mens en natuur werd zichtbaar in het klaarblijkelijke onvermogen van de mens om de gevolgen van zijn ingrepen in de natuur op de lange termijn correct in te schatten. Het werd het zichtbaarst in de industrialisering van de landbouw en in de verstedelijking, die het gevolg was van de in de steden samengebrachte industrie en de bijhorende arbeidsreservoirs.

Marx bepleitte een kleinschalige, autarkische landbouw, met ‘geassocieerde producenten’. We moeten vooral de relatie tussen mens en natuur herstellen. De natuur mag niet worden geïnstrumentaliseerd. Wij zijn de ‘vruchtgebruikers’ van de aarde, die – en hier citeert De Witte Marx – ‘tot taak hebben “hem in een verbeterde staat aan volgende generaties door te geven, als boni patres familias”’. Marx en Engels gingen ervan uit dat ‘een socialistische omwenteling de roofbouw op mens en natuur zou beëindigen’, maar een ‘concreet uitgewerkte politieke ecologie’ hebben ze niet uitgewerkt.

(wordt vervolgd)