zondag 21 januari 2018

wolken 2627-2629



wolkenfragmenten uit Eric Hobsbawm, Een eeuw van uitersten

2627
Halverwege de jaren dertig keken de Newyorkers tenslotte al op naar een wolkenkrabber, het Empire State Building (1931), die pas in de jaren zestig in hoogte overtroffen werd, en dan nog maar met een bescheden meter of dertig. (336)

2628
De typische ‘grote stad’ van de ontwikkelde wereld werd een stadsgewest van met elkaar verbonden woonkernen, met als hart doorgaans een of meer zaken- of bestuurscentra, vanuit de lucht herkenbaar als een soort bergkam van torenflats en wolkenkrabbers, behalve als (zoals in Parijs) zulke hoogbouw niet toegestaan was. (342)

2629
Moderne kunst en architectuur veroverden de VS, vulden musea en prestigieuze kantoren met ‘abstracte expressionisten’ en de zakenwijken van Amerikaanse steden met de symbolen van de ‘internationale stijl’ – rijzige, op hun kant staande rechthoekige blokken, die niet de wolken krabden, maar veeleer hun dak ertegen platdrukten; heel elegant, zoals het Seagram-gebouw van Mies van der Rohe, of alleen maar heel hoog, zoals het World Trade Center (beide in New York).  (591)

2629
In de bouwkunst, waar die reactie zich het eerst en het duidelijkst liet voelen, werden wolkenkrabbers nu met Chippendale-frontons bekroond, des te provocerender omdat ze gebouwd waren door de mede-uitvinder van de term ‘internationale stijl’, Philip Johnson (1906-[2005]). (591)

de winter van 2018 – 16

18 januari 2018

104 – In Mijn land in de kering besteedt Karel Van Isacker in zijn hoofdstuk over de Belle Époque (1880-1914) op een verrassend kritische wijze aandacht aan architectuur. De art nouveau is niet alleen ‘een vertoon van bourgeois-snobisme’, zij geeft met haar grillige vormen ook uitdrukking aan ‘de onrust van de tijd’. De plantenmotieven mogen dan al een uiting zijn van vitaliteit en optimisme, de art nouveau toont ook een onbehagen omdat zij zich op een ‘breukvlak’ bevindt ‘waar de oude, ambachtelijke en agrarische wereld en de nieuwe wereld van de techniek elkaar ontmoeten’. Zij probeert beide in zich op te nemen, maar de ‘gewrongenheid’ waartoe dit leidt, vormt volgens Van Isacker een weerspiegeling van de geest van de tijd. De art nouveau levert commentaar op een bouwkunst waarin het conflict tussen beide werelden wordt beslecht in het voordeel van de machine, van de onpersoonlijkheid en de lelijkheid. Zij belichaamt ‘het geloof in de technische vooruitgang. Maar tegelijk stigmatiseert zij de domheid van de “standardisatie” en belijdt zij de waarde van de ambachtelijke produktie. De spanning tussen deze twee onverzoenlijke strekkingen maakt haar tot een teken van de onzekerheid.’

Deze spanning is ook een sociologische spanning: ‘tussen de bourgeoisie die haar welvaart dankt aan de opmars van de techniek, en de wereld van de arbeid die deze triomf mogelijk maakte maar er niet in deelt’. De art nouveau heeft een ‘kwaad geweten’. Met haar voluptueuze, rijkelijke vormentaal is zij onmiskenbaar de kunstvorm van de rijken. Om dit te compenseren, wil zij ook ‘een maatschappelijke kunst’ zijn. ‘Zij hoopt de klassen zinnebeeldig naar elkaar te brengen.’ 

Het Volkshuis van Victor Horta in Brussel (afgebroken in 1964), is hiervan het bekendste voorbeeld. Horta schreef over dat proletenpaleis neerbuigend dat ‘lucht en licht’ erin ‘de weelde werden van krotbewoners’. En hier is het dat Van Isacker mij met zijn kritiek verrast: paleizen zoals het Volkhuis waren volgens hem niets anders dan een poging van de bourgeoisie om het proletariaat te sussen: ‘Zij hoopte dat de stoffelijke voordelen, verpakt in een Art Nouveaugeschenk, van deze gevaarlijke klasse een bruikbare medewerker konden maken voor de verdere opbouw van de industriële maatschappij.’ De ‘weelde van de bevoorrechten’ moest een ‘lokmiddel’ worden ‘om de onterfden tot instrumenten te maken voor het behoud van de privileges der bezitters’. 

Ik vraag mij af of dit een juiste interpretatie is. Misschien was het de facto zo, maar waren die volkshuizen, zoals ook de Vooruit in Gent (Ferdinand Dierkens, 1913), niet vooral een soort van prestigeprojecten van de zich in coöperaties verenigende en emanciperende en dus tégen de kapitalistische, uitbuitende bourgeoisie agerende arbeidersklasse?

Maar goed, laat ons dit eens vergelijken met een hedendaagse bouwproject dat de kleine man ten goede zou komen: de Ghelamco Arena in Gent, waar, zo blijkt toch uit recente berichten en insinuaties, de stad Gent met overheidsgeld in betrokken zou zijn, wat zij – met links-groene meerderheid – goedpraat met het voornemen dat de voetbaltempel ook zou worden ingezet voor sociale initiatieven. Of voor initiatieven die de gemeenschap ten goede zouden komen, wat misschien niet altijd hetzelfde is.
 
De architecturale kwaliteiten van die Ghelamco Arena zijn totaal verschillend van die van de volkshuizen waarmee – althans in de interpretatie van Van Isacker – de kleine luiden werden gelijmd. Een eeuw na Horta en Dierkens lijmt men niet met florale motieven, grote raampartijen en ambachtelijk vervaardigd ijzersmeedwerk, maar met geprefabriceerd beton waaruit de ambachtelijkheid allang totaal verdwenen is, met formaat, lawaai en van ver zichtbare glitter en uitvergrote portretten van voetbalhelden. Het heeft er alle schijn van dat de arbeider – voor zover hij al kapitaalkrachtig genoeg is om zich in de Ghelamco Arena aan het aldaar aangeboden vertier over te geven – zich hier niet tegen het kapitaal en de bourgeoisie verzet, integendeel. En ja, hier geldt zeker het argument van Van Isacker: eventueel antikapitalistisch verzet wordt met dergelijke projecten inderdaad in de kiem gesmoord; zo’n voetbaltempel demonstreert vooral dat de bouwheren zich allang voorbij elk mogelijk antikapitalistisch verzet wanen.

4946

Brugge, Beenhouwersstraat - 170913

zaterdag 20 januari 2018

getekend 283


afscheid van mijn digitaal bestaan 60



3 juni 2005

Paul Goossens in 1968
Paul Goossens, ooit studentenleider in Leuven en nu, stilaan aan het eind komend van een geaccidenteerde carrière als journalist, Europa-watcher voor het persagentschap België, maakte gisteren in Terzake ten overstaan van zijn collega maar zeker niet vriend (dat was zichtbaar) Siegfried Bracke zijn beklag over de rol die de media hebben gespeeld bij het Europa-referendum-debacle in Frankrijk en Nederland. Zij hebben onvoldoende het echte belang van Europa ‘gecommuniceerd’ en zo ‘de mensen’ aangespoord om hun ongenoegens af te wentelen op zondebok Europa door ‘neen’ te stemmen (zonder overigens te weten wat er nu eigenlijk in die Europese grondwet staat die ze met hun ‘neen’ naar de prullenbak verwijzen).

De media die onvoldoende ‘communiceren’ – het is toch wel godgeklaagd. Het is zoals een bal die niet rolt of een in het water gevallen steen die blijft drijven. Maar Goossens slaat natuurlijk de nagel op de kop. De media zijn er eigenlijk niet meer om te communiceren. De media zijn er om niet te communiceren of, sterker nog, om elke communicatie onmogelijk te maken. En dat gaat van de televisie die het gezinsleven verstoort tot de kijkcijferlogica die elke afwijkende of te elitaire mening ausrasiert. De media zijn in de eerste plaats: bliksemafleider. De media moeten het publiek bij de les houden. En de les, dat is niet wat er in de wereld gebeurt, maar wel: consumeren en zwijgen. Dat kan het best door thuis te blijven en naar de televisie te kijken.

Een tijdje geleden berichtten de media overvloedig over de kwikjes en kwakjes van de oude paus en over het aantreden van de nieuwe. Ondertussen werd de staat van de wereld opgemaakt. Een kwestie van prioriteiten, zou je denken: ‘Publié le 30 mars dernier, simultanément à Tokyo, Pékin, New Delhi, Le Caire, Nairobi, Paris, Washington et Brasilia, cet important rapport intitulé L’évaluation des écosystèmes pour le Millénaire est tombé un peu à plat, en raison notamment de la focalisation des médias sur la mort du pape.’ Ik herinner mij ergens in een of andere krant een halve regel te hebben gelezen over dat ‘importante’ rapport. Waarin, overigens, haarfijn wordt beschreven dat, als het zo voortgaat, er binnen een paar decennia geen sprake meer zal zijn van pausen of van media – dat dan een wereldwijde bittere strijd om te overleven zal zijn losgebarsten. Maar ja, als je zoiets vertelt, lopen je lezers c.q. kijkers weg, natuurlijk. Niemand wil dat horen, zo’n boodschap krijg je niet verkocht.

Ja, Paul Goossens, ooit studentenleider te Leuven, had gisterenavond nog eens een revolutionaire oprisping. Wij, klopte hij zich zelfbeschuldigend op de borst – maar hij bedoelde natuurlijk óók: ‘jij, stoute, platte, commercieel ingestelde en rücksichtlose Siegfried’ –, wij hebben daar schuld aan. Wij, de media.