dinsdag 24 januari 2017

geen verloren tijd 104


I:874-881

Een van de banale decorstukken van Marcels ontmoeting met Albertine bij Elstir was de éclair met koffiesmaak. Een ander was de knoopsgatroos die hij aan een aanwezige oudere heer schonk nadat deze zijn bewondering voor die roos had uitgesproken. Op weg naar huis denkt Marcel aan die éclair en aan die roos, en aan tous ces détails choisis à notre insu [buiten je medeweten] par les circonstances et qui composent pour nous, en un arrangement spécial et fortuit, le tableau d’une première rencontre (874:39-42). Marcel zal verbaasd zijn als hem, een paar maanden later, die ‘speciale, toevallige compositie’ vanuit een ander gezichtspunt wordt getoond: wanneer Albertine de omstandigheden van hun ontmoeting evoceert. De dingen blijken dan: transcrit en une version dont je ne soupçonnais pas l’existence, dans la pensée d’Albertine (875:8-9).

Als een soort metafoor van deze perspectiefwisseling verschuift in Marcels verbeelding Albertines schoonheidsvlek over haar gelaat. Bij Elstir nam hij de vlek waar onder haar oog, maar nu herinnert hij zich dat hij hem al eerder had gezien, maar dan op haar kin! Uiteindelijk zal hij de definitieve locatie van de vlek, na een grondige observatie, situeren sur la lèvre supérieure au-dessous du nez (878:6). Deze verschuiving, die dus staat voor de perspectiefwisseling waardoor een ander licht op de dingen komt te schijnen, waardoor ze minder absoluut lijken, vormt de echo van de wisselende gedaantes die Albertine in de geest van Marcel aanneemt: eerst in zijn verbeelding, dan in de effectieve waarneming tijdens de ontmoeting bij Elstir, en vervolgens in zijn herinnering. Maar verschuiving en wisseling wijzen natuurlijk ook op de fundamentele vreemdheid die altijd, ook bij de innigste verliefdheid, tussen twee mensen zal bestaan.

De reële Albertine (met haar schoonheidsvlek en haar eigenzinnig taalgebruik en met al haar mankementen en banaliteiten) beantwoordt dus niet aan de verbeelde Albertine. Toch, ondanks deze teleurstelling, besluit Marcel zich met haar te verloven, al was het maar uit een soort van erkentelijkheid voor Elstir. Maar omdat ze al bij al toch gewoner is dan verhoopt, en trop peu différente de tout ce que je connaissais (876:11-12), vermag dit voornemen zijn verlangen niet te onderdrukken om ook de andere meisjes te leren kennen. In dat opzicht verschilt de nieuwsgierigheid naar meisjes voor Marcel niet van zijn voorliefde voor het bezoeken van mooie kerken: het is niet omdat de kerk van Balbec nogal teleurstellend is, dat hij niet zou verlangen om de gebedshuizen te bezoeken à Quimperlé, à Pont-Aven et à Venise (876:14).

Enkele dagen later loopt Marcel Albertine tegen het lijf op de boulevard. Hij herkent haar eerst niet. Met haar muts en mof – het is al killig – lijkt ze een meisje si différente de celle que j’avais vue à la réunion d’Elstir que reconnaître en elle la même personne semblait pour l’esprit une opération impossible (876:29-32). Ook hier zien we dat meisjes voor Marcel een in de eerste plaats esthetische aangelegenheid vormen. Dat hij uitgerekend Albertine, op wie hij zo zijn zinnen lijkt te hebben gezet, bij de eerste gelegenheid na hun kennismaking niet meteen herkent, bewijst in elk geval dat zijn focus nogal diffuus is. Haar banale woorden en haar stem helpen hem evenwel bij het scherpstellen. (Het is hier dat de schoonheidsvlek definitief wordt gelocaliseerd.) Vooral Albertines nasale stemgeluid, un son traînard [‘temerig’ volgens Cornips, maar ‘slepend’ had ook gekund] et nasal (877:23), vindt Marcel wel sexy.

Tijd om zich hierdoor te laten meevoeren, is er niet. Kijk, daar lopen Albertines vriendinnen, een beau déroulement [optocht] des vierges (878:12-13), aux belles jambes, à la taille souple (878:14-15). Marcel zou graag aan hen worden voorgesteld, maar Albertine biedt hem die kans niet. Niet te ontlopen daarentegen is de jonge man, tennisrackets onder de arm, die hun pad kruist. Hij blijkt een nuffige fat, le fils d’un très riche industriel qui devait jouer un rôle assez important dans l’organisation de la prochaine Exposition Universelle (878:35-37; de vermelding van de Wereldtentoonstelling, ik veronderstel die van 1889 in Parijs, is overigens een van de zeldzame temporele oriëntatiepunten in de Recherche). Uit de manier waarop Proust hem neerzet – modieus-mondain, snobistisch, dwaas – blijkt een groot misprijzen voor dit exponent van de opkomende klasse van de nouveaux riches. De jongeman, die Octave heet, weet tout ce qui était vêtements, manière de les porter, cigares, boissons anglaises, chevaux (878:40-41), maar dat alles sans être accompagnée de la moindre culture intellectuelle (879:1-2). Exit Octave, met bekwame spoed op weg naar weer een volgende nietsnutterij of leeghoofdigheid.

De volgende die het koppel tegenkomt, is Bloch. Bloch meldt dat hij naar Doncières gaat, naar Saint-Loup. Wanneer ook hij weg is, becommentarieert Albertine zijn verschijning: ze vindt hem mooi – daar had Marcel nooit eerder bij stilgestaan – maar ach, « ce qu’il me dégoûte! » (880:26). Wanneer ze hem later beter zal hebben leren kennen, heeft ze ook redenen voor die spontane afkeer: zijn ironische kruiperigheid, zijn intellectualistische taalkronkels, zijn superieure glimlachje. En als ze verneemt hoe Bloch heet, kan ze een antisemitische sneer niet inslikken.


De vorige afleveringen van deze Proust-lectuur zijn hier te lezen: Rechercheur.

4584

Reugnies (F) - 161104

maandag 23 januari 2017

getekend 215


niet opgenomen 122

160221

wolken 2240-2246



wolkenfragmenten uit John Berger, Sering en Vlag

2240
De wind kwam van zee, en witte wolken werden als bloemige watten naar het noorden gedreven. (582)

2241
Dus hij gelooft ons niet! zei een andere man, die op zijn helm een plakplaatje had van een vrouw met naakte borsten als stapelwolken. (583)

2242
Terwijl hij dat zei, keek Moerad omhoog naar de wolken, die zich in juli vaak samenpakten boven de kustlijn in de namiddag, als vee dat komt drinken. (601)

2243
De allerhoogste wolken kregen iets groenigs. (601)

2244
Sonia was uitgeput, er zaten zweetkringen om haar ogen en vegen bloed op haar benen met de kleur van de wolken aan de hemel, maar ze glorieerde in het leven voor haar. (719-720)

2245
Hij lag in het gras niet ver van het chalet, waar grijs gesteente aan de oppervlakte kwam en waar ik wel eens ging zitten om naar het dal en de wolken duizend meter onder me te kijken. (725)

2246
Benedendeks was alles verlicht als een sneeuwhelling onder een wolkeloze hemel op het middaguur. (748)

driekleur 289

Een zwarte hond, niet groot en niet klein. Niemand had hem ooit eerder gezien. Hij lag in het gras niet ver van het chalet, waar grijs gesteente aan de oppervlakte kwam en waar ik wel eens ging zitten om naar het dal en de wolken duizend meter onder me te kijken. Het was een warme middag, de sprinkhanen sjirpten, en de roodborsttapuiten zaten op de gele gentianen, die doorbogen als er een neerstreek of opvloog.

John Berger, Sering en Vlag, 725