donderdag 17 augustus 2017

laatste rechte lijn 9


1.1.1. Johanna Kint, Expo 58 als belichaming van het humanistisch modernisme

Ik ben te jong om zelf op de Wereldtentoonstelling van 1958 te zijn geweest, maar via dit stripverhaal, waarin Marc Sleen niet alleen het blitse vooruitgangsoptimisme van die jaren evoceerde maar ook zijn kijk gaf op de Koude Oorlog die toen volop woedde, heb ik er een tiental jaar later toch van geproefd.

1.1.1.3. Marc Sleen, De Pax-apostel (1958)

Nero maakt zich druk over het feit dat iedereen met raketten bezig is. Petoetje ‘leutert’ over ‘ballistische raketten, kunstmanen, spoetniks en satellieten’, en Petatje speelt met een raketmodel dat duidelijk knipoogt naar de raket waarmee Kuifje in 1953 naar de maan reisde. Madame Pheip maakt zich zorgen over de wapenwedloop, en meneer Pheip komt thuis met het boekwerk Les spoet et les nics. Nero, ‘mottig’ geworden van deze eenzijdige preoccupatie van zijn huisgenoten met alles wat met raketten te maken heeft, scheurt koleirig het nochtans lijvige boek in twee stukken. Hij gaat in de tuin een luchtje happen. Daar valt een bloempotachtig recipiënt uit de lucht, recht op Nero’s hoofd natuurlijk. Uit een gat stijgt een Aladinachtige geest op: ‘Jef, het Wereldgeweten’. Nero is de kluts kwijt: ‘Ik snars er geen snap van. Ik bedoel ik snap er geen snars van.’ Jef draagt Nero op om een rotsblok van de top van de Jungfrau te hakken en ‘ook zoiets’ van de bodem van de Caraïbische Zee op te rapen en deze beide stukken steen samen volgens een nog te overhandigen recept te smelten, en om van het aldus verkregen papje een grammofoonplaat te persen. Al wie de muziek die daarop moet komen te staan zal aanhoren, zal vredelievend worden en zo zal ‘sterveling’ Nero ‘het aanschijn der aarde’ kunnen veranderen. Een vredesmissie, voorwaar! Nero zal op die manier ‘de redder der mensheid’ worden! Nadat hij op de Jungfrau door een gems in de afgrond is geduwd en op diezelfde berg door een Zwitserse agent is bekeurd omdat hij die gems van hetzelfde laken een broek aanmat, wordt dan toch de top bereikt en kan de door Jef het Wereldgeweten gevraagde steenblok van ongeveer 1 kilogram worden meegenomen. Beneden breekt meneer Pheip en passant nog het wereldrecord schansspringen, maar hij loopt daarbij wel een vreselijke verkoudheid op. Het eerste deel van de missie zit erop. Op naar de Caraïben. In het vliegtuig stoort het niezen van meneer Pheip de piloot zodanig dat deze uit het vliegtuig stapt. Geen nood, Nero neemt de stuurknuppel over en zet de DC 29 veilig aan de grond op een niet nader bepaald Caraïbisch eiland. Na met behulp van een hamerhaai een stuk rots te hebben afgebikt en nog enkele avonturen, die er eigenlijk, zoals meestal in de verhalen van Nero, niet echt toe doen, kan onze pax-apostel ook dit tweede onderdeel van zijn missie met succes afronden. Nu moet hij de stenen smelten. Gelukkig kan hij daarvoor op de hulp van Petoetje en Petatje rekenen. Madame Nero vindt dat haar man het te bont maakt en vertrekt naar haar moeder. De muziek wordt in de in een koekenpan vervaardigde schijf geperst met behulp van een plaat uit Nero’s collectie: ‘een gezellig walsje uit mijn jonge tijd’, zegt hij met verzaligde glimlach op de lippen. Petoetje fungeert als proefkonijn. Wanneer hij de – affreuze (‘nog erger dan Elvis Presley’) – klanken hoort die uit de grammofoon komen, vertoont hij opvallend vredelievende neigingen: het recept van Jef het Wereldgeweten werkt! Maar nu volgt een nieuwe fase in Nero’s missie: hij moet ervoor zorgen dat iedereen de plaat te horen krijgen. En ja, waar kan hij daarvoor beter zijn dan in het Flageygebouw, waar toen nog de nationale omroepen gehuisvest waren? Hij besluit ‘Vlaams Brussel’ over te slaan omdat de Vlamingen al vreedzaam genoeg zijn: ‘Sinds 1302 zijn ze in slaap gevallen.’ En waarom ook niet naar de Expo gaan? Dat is evengoed in Brussel, en heel de wereld komt er samen! Maar dat valt niet mee: er is zoveel volk dat Nero wordt weggedrumd, niemand hoort zijn muziek. Gelukkig loopt hij daar niemand minder dan Chroesjtsjov tegen het lijf, die hem meeneemt naar Moskou. Nero kan er zijn plaat draaien op de 1 mei-optocht op het Rode Plein en in de Opperste Sovjet. Het resultaat is overweldigend: in zijn eentje is Nero erin geslaagd een eind te maken aan de Koude Oorlog. Of toch niet? Neen, er bleek één dove apparatsjik in de zaal te zitten, en die springt natuurlijk in het machtsvacuüm dat is ontstaan nadat al zijn collega’s door Nero’s muziek vredelievend zijn geworden. Nero belandt in de bak en zucht: ‘Met de Russen zal nooit iets te beginnen zijn. Er zal altijd EEN dove onder hen zijn.’ Hij weet, door met behulp van zijn muziek zijn bewaker te vermurwen, uit de gevangenis te ontsnappen, en na interventie van de Belgische ambassadeur, die uiteraard Frans spreekt, wordt hij per diplomatieke koffer naar België gestuurd. Waar hij, in het gezelschap van zijn familie en vrienden, zijn plaat in de pronkkast zet en concludeert: ‘’t Ligt aan de mensen zelf of ze goed en vredelievend willen zijn. Je kunt het hen niet opdringen.’

De editie waarover ik beschik, is een herdruk uit een niet gespecificeerd jaar (ik kocht de strip in 1982). Het gaat om een verminkte editie want de uitgever vond het, onder druk van de toenmalige taalpolitie, nodig om de Sleeniaanse Vlaamsigheden uit de oorspronkelijke tekst weg te zuiveren en om te buigen tot een min of meer correct of begrijpelijker geacht Nederlands. Zo werd de titel, zoals hij nog op het voorplat prijkt, op de titelbladzijde omgezet in De vredes apostel (sic). Ja, het woord ‘pax’ is Latijn en zou wel eens voor vele kindertjes Latijn kunnen zijn. De taalepuratie gebeurde zonder veel respect voor de typografie – nochtans een belangrijk onderdeel van de Sleen-grafiek. In strook 122 moet de corrector zelfs tot buiten de tekstballon treden om van – vermoedelijk – ‘speelplaat’ ‘grammofoonplaat’ te maken. De ingrepen verlopen jammer genoeg ook niet foutloos. Zo werd in strook 109 de – vermoed ik – oorspronkelijke, door Madame Pheip uitgesproken tekst ‘Wel, wat zegt ge daar van: hoe vindt ge meneer!!’ omgebogen tot: ‘Wel, wat zeg je daar van: hoe vindt je meneer!!’ Gelijkaardige dt-fouten zijn, na de vervanging van ‘ge’ door ‘je’, terug te vinden in strook 142 (‘Wel, hoe vondt je de plaat?’), strook 151 (‘Hebt je je bezeerd, Nero?’) et j’en passe.

Volg alle teksten van het project 'laatste rechte lijn': hier

woensdag 16 augustus 2017

de zomer van 2017 – 14



Het mooiste moment van deze 1ste augustus 2017, de zesde dag van mijn reis naar Frankrijk, was toen ik langs de kust fietste vanuit Plougonvelin, waar ik dezer dagen bij H. & B. logeer: eerst naar Pointe de St. Mathieu en vervolgens noordwaarts tot in Ploudalmézeau, waar ik, alvorens de saaiere en vanwege de tegenwind ook lastigere terugtocht aan te vatten, in een café een koffie dronk, niet zonder een stamgast die vertelde dat er vandaag voor zijn deur een circus zijn tenten had opgezet, te moeten tegenspreken met betrekking tot het welzijn van de gevankelijk meegevoerde en tot het uitvoeren van vernederende trucs aangezette leeuwen en tijgers – hij had uitdrukking gegeven aan zijn verwondering over het feit dat een aantal jongelui verzet had aangetekend tegen de komst van het circus want vroeger waren uitgerekend de kinderen toch het meest tevreden wanneer zo’n attractie het dorp aandeed? ‘Ze geven toch niet de indruk er ongelukkig uit te zien,’ zei de man over de circusdieren. ‘Ja, dat kan wel zijn,’ antwoordde ik, ‘maar heeft u er al wel eens over nagedacht dat u hun al dan niet gelukkig zijn beoordeelt vanuit het standpunt van de mens en niet uit dat van de leeuw of de tijger?’
Nu goed, ik wou het hebben over die rit langs de kust via Le Conquet, de Pointe de Corsen, Lampaul-Plouarzel, Blérès, Lanildut, Porspoder, Trémazan, Portsail... – en dan laat ik nog een deel toponiemen onvermeld, namen die, alsof ze zo al nog niet exotisch genoeg klinken, telkens op de wegwijzers en gemeenteborden nog eens verdubbeld worden met hun Bretonse equivalenten, die nog veel vreemder klinken en die, zeer on-Frans, opmerkelijk veel k's bevatten.

Het was vandaag mooi weer met blauwe lucht en overzeilende wolken: de decorbouwer had de best bij de geologische en maritieme gegevenheden passende rekwisieten bovengehaald. Zeer clichématig, dat wel, zodat elke poging tot beschrijving hier de stijlgevoelige haren ten berge zal doen rijzen. Maar daar trek ik mij niets van aan. En dus: het licht danste op de opmerkelijk blauwe golven die, omdat er maar weinig wind stond, niet schuimden of met veel kabaal op de rotsen braken maar integendeel bedaard uitbolden op de witte strandjes waar baders, zwemmers, surfers en zandkastelenbouwers in alle rust hun respectieve nutteloosheden beoefenden. Omdat het nu eenmaal vakantie is. Verder op zee laveerden schitterend witte driehoeken door de watermassa's: zeilbootjes. Eén, nog een, een tiental en ja, achter gindse klif doken er wel honderd op. De weg slingerde zich van prethaven naar prethaven en van vuurtoren naar vuurtoren, op en neer over het milde reliëf, en ik maakte in het dalen voldoende snelheid om de volgende helling al voor de helft freewheelend te entameren. Weinig verkeer, overigens: dat droeg in aanzienlijke mate bij tot, ja, tot wat eigenlijk? Tot een gevoel van welbevinden, een fysieke genoegdoening, een esthetisch genot, een gedachte- en zorgeloos in-het-moment-zijn, ja, dit moet een moment van geluk zijn geweest. Zo hevig en onvermengd was deze geluksbeleving, dat ik mij niet liet afleiden – of toch maar een klein beetje – door de ergerlijk banale architectuur die hier de kusten overwoekert, nauwelijks nog ademruimte latend voor de oorspronkelijke, uit graniet opgetrokken huizen die hier en daar tussen alle kneuterigheid en crépis getuigen van een ver en ongetwijfeld woest, hard en onherbergzaam verleden toen hier op de nauwelijks weg te noemen wegen nog geen fietsende noorderlingen konden worden gesignaleerd.

fiets 17-49

koers 98,0 / 2997,6 / 761 ↗